Algemeen

Papua is een provincie van Indonesië.  Indonesië ligt in Zuid-Oost Azië. Wat oppervlakte betreft is Indonesië ongeveer 55 keer zo groot als Nederland.  Papua is de helft van een eiland. Het andere deel heet Papua Nieuw Guinea. Het eiland wordt omgeven door de Grote en de Indische oceaan. Enkele andere eilanden zijn: Sumatra, Java, Borneo en Celebes.
Papua ligt vlak bij de evenaar. De dagen zijn daardoor het hele jaar even lang. Rond de evenaar waait de vochtige Westmoesson en de droge Oostmoesson. De invloeden van deze moessons zijn in de lage delen van Irian merkbaar. Het zendingsterrein ligt voor het grootste gedeelte in de bergen. Het klimaat is daar anders dan in het vochtige en tropisch hete laagland. In de bergen is het vrij koel, de temperatuur komt niet vaak boven de 25 graden. Op de hoogste bergtoppen ligt sneeuw (5000m.). En dat in de tropen! Boven de 4000m. is het zo koud dat er geen bomen meer groeien. Er komt daar veel mist en regen voor.

In de republiek Indonesië wonen naar schatting 179 miljoen mensen. Verreweg de meeste mensen  wonen op de eilanden Java, Madura en Bali. De bevolkingsdichtheid is hier enorm. De gemiddelde dichtheid van de bevolking van verschillende provincies van Java ligt boven de 700 inwoners per vierkante kilometer. Omdat Irian het gebied is waar de bevolkingsdichtheid het geringste is, zijn er ook naar Irian vele duizenden Javanen verhuisd. Er wonen nu op Irian bijna net zoveel Javanen als Papoea’s. Op Irian wonen zeer veel verschillende stammen. De bekendste zijn de Asmat (Zuidwestkust), Dani (Baliemvallei), Moni (rond Enarotali) en de Ekari (of Kapauko). In het gebied waar onze zending werkt treffen we de Yali’s, de Mek en de Una stam aan (respectievelijk in Pass Valley/Landikma, Nipsan en Langda/Bomela/Sumtamon).

Geschiedenis
Over de geschiedenis van Papua, voor de komst van de Europeanen, is eigenlijk maar weinig bekend. Het westelijk deel van het eiland heeft bij het rijk van Tidore gehoord. In 1512 voeren de eerste Europeanen (Portugezen) langs dit grote eiland. Vanwege het onherbergzame karakter van de kust landden ze er echter niet. Meer dan dertig jaar later, in 1545, zet de Spanjaard Ynigo Ortiz de Retes voet aan land. Hij gaf het eiland de naam “Nuova Guinea”, Nieuw Guinea. Hij vond namelijk dat de inwoners, de Papoea’s, veel overeenkomsten hadden met de bevolking van het land Guinea aan de Westkust van Afrika. Nieuw Guinea werd vanaf die tijd als Spaans bezit beschouwd, hoewel de Indonesische vorsten van het koninkrijk van Tidore er meer te vertellen hadden. Deze overheersing gold alleen maar voor de bewoners van de kust en de kusteilanden. De bewoners van het binnenland zijn door de onherbergzaamheid van hun woongebied, lange tijd vrijgebleven van overheersing.
In 1714 deed Spanje het eiland over aan Nederland. In 1828 werd het officieel een deel van het Koninkrijk der Nederlanden. In 1883 werd ongeveer in het midden een rechte streep getrokken. Het Westelijk deel bleef van Nederland, het oostelijk deel viel aan Engeland toe. In 1949 werd de republiek Indonesië onafhankelijk. Het westelijk deel van Nieuw Guinea bleef nog van Nederland. In 1963 werd Nieuw Guinea een provincie van Indonesië. Het kreeg de naam West Irian, later Papua.
In het begin had men er geen idee van dat er in het binnenland nog zoveel mensen woonden. Aan de kust en op de eilanden werd zending bedreven en later werd het bestuur gevestigd. Op een vliegtocht in 1936 ontdekte men in het Westelijk deel van het Centrale Bergland, een aantal grote meren met enorme tuingebieden eromheen. Nog voor het begin van de Tweede Wereldoorlog werden de eerste zendingsposten geopend.
In 1938 werd een expeditie gemaakt naar het Noordelijk deel van het Centrale Bergland. Men ontdekte hier grote stammen met wild uitziende krijgers, waaraan de naam Dani gegeven werd. Ook deze mensen hadden grote tuinen die er goed verzorgd uitzagen.
De massale opening van het binnenland vond echter pas na de Tweede Wereldoorlog plaats. Na de vrede vond er een enorme uitbreiding van de zendingsactiviteiten plaats. Vele stammen in het bergland werden met het evangelie bereikt. Als in een gebied het zendingswerk gestalte kreeg, volgde het binnenlands bestuur automatisch. Ook na de Indonesische machtsovername gaat dat zo nog steeds door. Bij het openleggen van nieuwe gebieden gaan zending en missie voorop.

Dagelijks leven
Het dorp is in Papua het centrum van het volksleven. De dorpen zijn over het algemeen heel klein. Wij zouden eerder spreken over een gehucht. Om het dorp is een stevige omheining, gemaakt van palen, planken, stengels en klimplanten. De omheining dient om de vijanden buiten en de varkens binnen te houden. De vrouwen en jonge kinderen wonen in de gezinshut, terwijl de mannen en oudere jongens in de mannenhut wonen. Meisjes blijven tot hun huwelijk bij hun moeder in de hut wonen. In de "keukenhut" wordt de dagelijkse maaltijd klaargemaakt. Er kunnen vuurtjes in gestookt worden en er zijn een paar kleine kookputjes.
De landbouw in het bergland wordt vooral bepaald door de teelt van de zoete aardappel. De teelt vindt plaats in tuinen die in het oerwoud aangelegd zijn. Net als de dorpen hebben de Yali's ook de tuinen meestal van een omheining voorzien. Er komen in het Yalimo-gebied nog wel eens wilde varkens voor en ook de tamme varkens lopen, onder toezicht van een varkenshoeder, vrij rond. In de andere gebieden is het de gewoonte dat de vrouwen hun varkens aan een touwtje meenemen. In het Una-gebied worden vaak tuinterrassen aangelegd. Kleine stroken tuin van enkele meters worden door een dijkje omgeven. Ieder strookje ligt dan weer iets lager op de berghelling. Dit laatste om te voorkomen dat alle tuingrond van de bergen afspoelt.  Het menu van de berglandbevolking is over het algemeen arm aan eiwitten. De jachtbuit is dan ook een welkome aanvulling op de knollenpot. Het jagen gebeurt met pijl en boog.
Voor de komst van het Evangelie leefden de stammen in het bergland voortdurend in oorlog met elkaar. Het belang van de oorlog in de oude situatie kan afgelezen worden uit het grote aantal mensenpijlen met weerhaken dat er in het gebied aangetroffen wordt. Ook nu gebeurt het nog wel eens dat er een ruzie met pijl en boog uitgevochten wordt, waarbij er regelmatig gewonden en soms zelfs doden vallen. Doordat de mensenpijlen van die gemene weerhaken hebben, zijn ze moeilijk te verwijderen. Vroeger stierf een slachtoffer wel eens aan wondinfectie. Tegenwoordig is daar met antibiotica wel wat meer tegen te doen.
Naar onze maatstaven gemeten zijn de Papoea's in hun traditionele kleding toch maar schamel gekleed. Mannen die de traditionele kleding nog aanhebben, dragen schaamkokers. Ze zullen zich nooit zonder dat ding durven vertonen. De mannen dragen veel kortere en kleinere netten dan de vrouwen.
De vrouwen dragen verschillende lagen rokken over elkaar. Vroeger leek die rok een zeer korte borstel van voren en van achter. Die twee "borstels" werden dan door een touwtje dat onder de heupen over het been zat gebonden, op zijn plaats gehouden. Door de inwerking van het Evangelie dragen de vrouwen nu langere rokken die vanaf het middel rondom naar beneden hangen. Veel vrouwen dragen een grote lap stof, gedrapeerd rond de schouders.
Bij de vrouwen zie je ook steeds meer westerse kleding. Hoofdtooi en overige versieringen spelen bij de vrouw een minder belangrijke rol dan bij de man, hoewel kettingen gemaakt van plaatselijk materiaal voorkomen. Het draagnet is voor iedere vrouw, hoe ze verder ook gekleed mag zijn, onmisbaar.
Het zingen neemt in het dagelijks leven een grote plaats in. Er wordt gezongen onder het werk en onderweg, of zomaar als de mannen in de zon zitten te luieren. Ook voor de dienst in de kerk wordt er gezongen, de kerkmensen zingen dan bijbelgedeelten. Meestal is er een voorzanger die de tekst zingt, terwijl de mensen gezamenlijk het refrein zingen. Vroeger waren de liederen voornamelijk oude mythen of verhalen over geesten. Verder waren er ook allerlei bezwerings- en oorlogsliederen. Het is begrijpelijk dat deze liederen van vroeger in onbruik geraakt zijn.

Godsdienst
Ruim tachtig procent van de bevolking van Indonesië is Islamiet. De Islam in Indonesië is echter een heel milde vorm van deze godsdienst. Veel Javanen vermengen hun mystiek met de Islam en zijn alleen in naam Islamiet. Bovendien is de godsdienst vaak nog vermengd met het hindoeïsme. De laatste tijd komt er echter een meer fundamentalistische stroming op. Deze stroming is erop gericht dat de wetten van de Koran strenger nageleefd worden. In het verleden probeerde de regering deze fanatieke moslims wat de kop in te drukken. De laatste jaren begint de regering wat meer toe te geven aan de eisen van deze strenge islamieten.
De christenen vormen een snelgroeiende minderheid in Indonesië. Het is verboden om onder anders gelovigen te evangeliseren, maar door hun betoon van christelijke naastenliefde en door hun huisgodsdiensten met open deur, gaat er veel van hen uit. De christenen vormen ongeveer acht procent van de bevolking. Van de bevolking is vijf procent officieel Hindoe of Boeddhist.
De groep die overblijft wordt gevormd door diegene die nog geen godsdienst hebben. De stamgodsdiensten die vooral op Irian en Kalimantan nog aangehangen worden in hun vele variaties, tellen dus officieel niet mee als godsdienst. Onder deze mensen mag dan ook officieel zending bedreven worden. Op Irian is het grootste gedeelte van de oorspronkelijke bevolking christen. Door de transmigratie van duizenden mensen van de overbevolkte eilanden wordt de druk van de Islam steeds groter. In overheidsfuncties op Irian worden ook vaak islamieten geplaatst zodat er met recht gezegd kan worden dat de islamieten bevoordeeld worden.





 


Vlag van Indonesië

  

© 2010 Zending Gereformeerde Gemeenten